Naar boven ↑

Annotatie

mr. A.C. de Die en A. Hielkema
3 februari 2020

Rechtspraak

X/Y
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam, 30 september 2014
ECLI:NL:TGZRAMS:2014:90

Waarmee rekening te houden bij het uitbrengen van medisch advies en deskundigenrapport?

Rolinka Wijne heeft in haar annotatie bij de uitspraak van het CTG van 30 januari 2014 de aangescherpte eisen voor het medisch advies besproken (zie GZR 2014-0063). Die vijf eisen vormen het nieuwe toetsingskader voor adviezen van medisch adviseurs en deskundigenrapporten. Ieder jaar weer laat de tuchtrechtspraak zien dat het uitbrengen van medisch advies of deskundigenrapport een heikele kwestie is, waarin de medisch adviseur het zelden goed lijkt te kunnen doen. In deze annotatie een aantal aandachtspunten.

In de zaak waarover het RTG Amsterdam op 30 september 2014 (GZR-0406) oordeelde ging het om een briefje van de medisch adviseur dat leidde tot ongenoegen. Het ging om een letselschadezaak die reeds grotendeels afgewikkeld was. Ruim een jaar na het ongeval wendde het slachtoffer zich opnieuw tot haar verzekeraar met de stelling dat zij leed aan tandenknarsen en dat dit het gevolg was van het haar overgekomen auto-ongeval. Zij werd daarin gesteund door een verklaring van haar tandarts. De medisch adviseur wilde zijn standpunt telefonisch bespreken met degene die belast was met de behandeling van de claim. Toen dat niet lukte, heeft de medisch adviseur een kort briefje geschreven waarin hij onder andere stelt dat de verklaring van de tandarts je reinste onzin is en er medisch gezien geen enkele reden is om tandenknarsen toe te schrijven aan het ongeval. Omdat de stelling zo onaannemelijk is, ziet hij ook niet direct reden om de tandheelkundig adviseur te raadplegen.

Zou dit advies aan de geldende eisen zijn getoetst, dan zou de medisch adviseur vast een tuchtrechtelijk verwijt zijn gemaakt. Zo niet in dit geval. Het ging hier naar het oordeel van het RTG niet om een formeel medisch advies, maar om ‘interne correspondentie’. Dat het briefje, dat geen formele status had, toch als medisch advies aan betrokkene (slachtoffer) is doorgezonden, was in deze casus een ongelukkige gang van zaken. Het biedt het RTG echter een aangrijpingspunt om de medisch adviseurs erop te wijzen dat zij ook hun interne dossier op orde moeten hebben. Gelet op het inzagerecht kunnen betrokkenen immers kennis nemen van de inhoud van het dossier dat bij de medisch adviseur berust. Met andere woorden: arts, wees je ervan bewust dat betrokkene inzage kan krijgen en houdt daarmee rekening bij de woordkeuze en redactie van alle stukken, ook al hebben die primair een intern karakter. De onderhavige medisch adviseur kwam weg met een ongegrondverklaring.

De waarschuwing aan de beroepsgroep van het RTG sluit aan bij het vonnis van 4 september 2014 van de Rechtbank Noord-Holland (GZR 2014-0392). Daarin bepaalde de rechtbank dat het deskundigenbericht – ook al is het bedoeld als advies voor een eerste beoordeling van het medisch handelen – kan worden ingezien door de betrokkene op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens. De rechtbank overwoog dat het belang van de betrokkene om de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens te controleren zwaarder weegt dan het belang van de arts, wiens handelen onderwerp is van het advies, om informatie niet te verstrekken in verband met zijn klachtrechtelijke dan wel tuchtrechtelijke positie. De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Hoge Raad dat een ‘volledig overzicht’ als bedoeld in artikel 35 lid 2 Wbp een ruime aanduiding is (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663).

De medisch adviseur en de medisch deskundige moeten er terdege rekening mee houden dat hun rapportage alle relevante informatie dient te bevatten om de tuchtrechtelijke toets te doorstaan én dat de betrokkene zijn of haar dossier (met uitzondering van werkaantekeningen en gegevens betrekking hebbend op derden, vgl. Hof Amsterdam 31 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV2565) wil inzien.

In twee andere recente uitspraken zijn rapportages, opgesteld vóór januari 2014, beoordeeld op basis van de nieuw geformuleerde eisen. Op grond van het rechtszekerheidsbeginsel zijn hierbij vraagtekens te plaatsen. Het liep in beide kwesties echter mis op de eisen die al langer gehanteerd worden: een deugdelijke feitelijke onderbouwing en de deskundigheidseis.

In de ene zaak werd een Pro-Justitia-rapportage, uitgebracht in het kader van een strafzaak, beoordeeld. Daarbij kwam het belang en het gewicht van het rapport in de tuchtzaak naar voren. Zo woog het RTG Den Haag in zijn beoordeling van het rapport mee dat het rapport het advies bevatte tot oplegging van de zware maatregel TBS met dwangverpleging (RTG Den Haag 10 juni 2014, 2014.62). Het RTG Den Haag herhaalde de door het CTG geformuleerde eisen waaraan een deskundigenonderzoek moet voldoen. In casu was het rapport onder verantwoordelijkheid van een klinisch psycholoog uitgebracht, daarbij geassisteerd door een basis psycholoog, in opleiding tot rapporterend psycholoog. Tegen assistentie had het RTG geen bezwaar, maar het oordeelde wel dat in een dergelijk geval duidelijk beschreven moet zijn welke rolverdeling zij hanteerden en (onder andere) op dat punt schoot het rapport tekort.

In een andere uitspraak van het RTG Den Haag (19 augustus 2014, 2014.90) bracht een psychiater een rapport uit in verband met een geschil over een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De in het rapport genoemde feiten en omstandigheden waren onvoldoende om de genoemde diagnose te rechtvaardigen. Het rapport voldeed niet aan het vereiste dat op inzichtelijke en consistente wijze wordt uiteengezet op welke grond de conclusie steunt.

Dat een deskundige of medisch adviseur zich er terdege van bewust moet zijn dat het uitbrengen van een advies, een rapport of een bericht aan de aangescherpte eisen moet voldoen is één ding. Dat het nieuwe toetsingskader ook voor adviezen en rapporten van vóór de aanscherping geldt, zoals tot uitdrukking komt in de aangehaalde uitspraken, lijkt ons in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Wanneer onderliggende stukken via de Wbp aan betrokkenen moeten worden verstrekt, kunnen de deskundige en de medisch adviseur dubbel verrast worden. Eenmaal aan de betrokkene verstrekt op grond van de Wbp, kan de betrokkene het handelen van de medisch adviseur of deskundige uiteraard ter toetsing voorleggen aan de tuchtrechter. Bestaande richtsnoeren kunnen de medisch adviseurs en deskundigen mogelijk helpen behoeden voor gegrond verklaarde klachten. Aan te bevelen is in elk geval kennis te nemen van het materiaal en de aanbevelingen van de Projectgroep Medische deskundigen in de rechtspleging van de faculteit Rechtsgeleerdheid van de VU (zie: http://www.rechten.vu.nl/nl/onderzoek/organisatie/onderzoeksinstituten-en-centra/projectgroep-medische-deskundigen).