R_wijne_234px

Rolinka Wijne is docent gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, lid van de medische tuchtcolleges te Den Haag en Amsterdam en medewerker bij het wetenschappelijk bureau van Holla advocaten.

Jonna_de_clerck_kader

Jonna De Clerck is werkzaam bij Van Benthem & Keulen, waar zij deel uitmaakt van de sectie Gezondheidsrecht, Aansprakelijkheids- en Verzekeringsrecht.

Eva_deen_kader

Eva Deen werkt als zelfstandig gezondheidsrechtelijk jurist, onder meer als docent gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is rechter-plaatsvervanger bij de Rechtbank Noord-Holland.

Mieke_de_die_234px

Mieke de Die is advocaat/partner bij Velink & De Die advocaten in Amsterdam en gespecialiseerd in het gezondheidsrecht. 

Nikee_groot_kader

Nikee Groot is advocaat bij AKD in Brussel, waar zij deel uitmaakt van de praktijkgroep Europees en Mededingingsrecht.

Aart_hendriks_234px

Aart Hendriks is bijzonder hoogleraar en gewoon hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Leiden (Faculteit der Rechtsgeleerdheid en LUMC).

Mirjam_hofstee_kader

Mirjam Hofstee werkt als jurist medische aansprakelijkheid bij VvAA. In die hoedanigheid houdt zij zich bezig met het zelfstandig beoordelen en afhandelen van claims binnen de medische aansprakelijkheid en het adviseren van verzekerden over dit onderwerp.

Eva_jacobs_kader

Eva is werkzaam als secretaris bij het KiFiD.

Hugo_de_jager_kader

Hugo de Jager is sinds 2002 advocaat in dienst bij SRK Rechtsbijstand.

Wouter_koelewijn_234px

Wouter Koelewijn is adviseur gezondheidszorg bij Van Benthem & Keulen

Caroline_van_der_kolk_kader

Caroline van der Kolk-Heinsbroek is werkzaam bij VvAA Juridisch Advies en Rechtsbijstand als gezondheidsrechtadvocaat.

Michele_van_lopik_kader

Michèle van Lopik is werkzaam bij Kennedy Van der Laan, waar zij deel uitmaakt van de sectie Gezondheidsrecht.

Diederig_van_meersbergen_234px

Diederik van Meersbergen is werkzaam als gezondheidsjurist bij de artsenorganisatie KNMG.

Hans_van_mens-234px

Hans van Mens is partner bij AKD. Hij is sinds december 1987 onafgebroken in de advocatuur werkzaam.

Melita_van_der_mersch_234px

Melita van der Mersch is advocaat bij Velink & De Die en gespecialiseerd in het gezondheidsrecht.

Maurice_mooibroek_kader

Maurice Mooibroek is advocaat bij KBS Advocaten. Hij houdt zich bezig met diverse aspecten uit het formele en materiële gezondheidsrecht.

Esther_pans_234px

Esther Pans kwam bij Kennedy Van der Laan in 2011, na een juridische promotie aan de Vrije Universiteit (2006) en na vijf jaar als advocaat op een in personenschade gespecialiseerd advocatenkantoor in Amsterdam te hebben gewerkt. 

X_r_ras

Xandra Ras is werkzaam als cliëntenraad ondersteuner, waarbij zij de (centrale) cliëntenraad op verschillende manieren ondersteunt, onder andere door advies en coaching.

Bas_van_schelven_kader

Bas van Schelven is advocaat gezondheidszorg bij Van Doorne. 

J_rgen_simons234px

Jørgen Simons is advocaat aansprakelijkheids- en gezondheidsrecht bij Leijnse Artz in Rotterdam.

August_van-234px

August Van studeerde rechten aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Hij is werkzaam als advocaat te Amsterdam.

Caren_velink_234px

Caren Velink is advocaat bij Velink & De Die advocaten te Amsterdam. Zij is gespecialiseerd in het gezondheidsrecht en staat in haar dagelijkse praktijk met name zorgaanbieders bij.

Coen_verberne_234px

Coen Verberne is werkzaam bij Holla Advocaten binnen de sectie Gezondheidsrecht.

Liane_versteeg_kader

Liane Versteeg is als advocaat gespecialiseerd in het gezondheidsrecht.

Kitty_volker_kader

Kitty Volker is advocaat/partner bij Lauxtermann Advocaten in Amsterdam. Zij werkt vanaf 2001 in de aansprakelijkheids- en verzekeringspraktijk. Binnen die praktijk legt Kitty zich toe op het gezondheidsrecht.

Jacqueline_de_vries_kader

Jacqueline de Vries is advocaat bij Holla Advocaten in Eindhoven.

Astrid_van_der_wal_kader

Astrid van der Wal is bedrijfsjurist bij DSW Zorgverzekeraar. Zij houdt zich bezig met zorgverzekeringsrecht in de meest brede zin.

Bastiaan_wallage_kader

Bastiaan Wallage is sinds 2016 advocaat bij Van Benthem en Keulen. 

Joost_wasser_kader

 Joost Wasser is sinds 1999 advocaat bij Holla advocaten.

 

Annotaties GZR 2019-0292

J. de Vries | 03-12-2019

Het opzeggen van een zorgovereenkomst: wanneer kan het wél?


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Gerechtshof Amsterdam 24-10-2019, (X/Y)


Jacqueline_de_vries

Het opzeggen van een zorgovereenkomst: wanneer kan het wél?

1. Inleiding

Mijn ervaring leert dat het juridisch kader bij het opzeggen van een zorgovereenkomst – die vaak ook is te kenmerken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 BW – soms wat lastig aansluit bij de ‘gevoelens’ van hulpverleners in de praktijk. In deze zaak is het voor mij bijvoorbeeld heel invoelbaar dat de betrokken zorgaanbieder ervoor heeft gekozen de zorgovereenkomst met deze cliënt op te zeggen en daarbij niet nog meer op zoek te gaan naar een alternatief. Het was voor de betrokken hulpverleners ‘niet meer te doen’. Dat is in de (mijn) praktijk ook vaak het geval. Er is dan meestal wel een (gewichtige) reden om op te zeggen, maar met die gewichtige reden zelf is het werk juridisch gezien nog niet gedaan. Dit lijkt door zorgaanbieders soms toch te worden onderschat. Het arrest van het Hof Amsterdam laat dit ook zien. Uit dit arrest volgt tevens dat op een zorgaanbieder in het kader van een opzegging een inspanningsverplichting rust om de continuïteit van zorg tot op zekere hoogte te waarborgen.[1] Die inspanningsverplichting kan op verschillende manieren worden ingevuld. In deze annotatie ga ik in op de kwalificatie van de ‘zorgovereenkomst’, op de omvang van de inspanningsverplichting en meer in het algemeen op de zorgplicht van een zorgaanbieder bij het beëindigen van een zorgovereenkomst. Ik schets daartoe eerst het juridisch kader rondom de ‘zorgovereenkomst’ en de opzegging daarvan. Daarna bespreek ik recente jurisprudentie van zowel tuchtrechters als voorzieningenrechters over het onderwerp ‘opzegging’. Ik sluit af met een conclusie/samenvatting.

2. Het juridisch kader: het karakter van de ‘zorgovereenkomst’

In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het Hof Amsterdam ging het om de opzegging van een ‘zorgovereenkomst’. Dit is vaak ten minste een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW. De cliënt of patiënt is opdrachtgever en de hulpverlener of zorgaanbieder is opdrachtnemer.[2] Daarnaast is vaak sprake van een gemengde overeenkomst door de combinatie van zorg met huur. Daardoor wordt – al dan niet met uitdrukkelijke toepassing van artikel 6:215 BW – in de jurisprudentie soms ook eerst bezien welk element (wonen of zorg) overheerst,[3] om bijvoorbeeld te bepalen of sprake is van huurbescherming.[4] Of een zorgovereenkomst ook altijd (gedeeltelijk) een specialis van de opdracht is, te weten een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 BW,[5] is niet altijd duidelijk.[6] Dit is echter wel relevant, aangezien artikel 7:460 BW bepaalt dat een geneeskundige behandelingsovereenkomst slechts kan worden opgezegd als daartoe gewichtige redenen bestaan. Als een zorgovereenkomst ook kwalificeert als geneeskundige behandelingsovereenkomst, dan is artikel 7:460 BW van toepassing. Een geneeskundige behandelingsovereenkomst is een overeenkomst tussen hulpverlener (of zorgaanbieder) en opdrachtgever-cliënt of -patiënt, die strekt tot het verrichten van geneeskundige handelingen ten aanzien van een patiënt.[7] Van ‘geneeskundige handelingen’ in de zin van artikel 7:446 BW is bij het verlenen van zorg, zoals begeleiding zonder medische behandeling aan een cliënt met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (‘Wlz’) dus niet altijd sprake. Er vinden bij ‘begeleiding’ immers niet altijd verrichtingen plaats die ertoe strekken de patiënt (cliënt) van ziekte te genezen, voor het ontstaan van ziekte te behoeden of om zijn gezondheidstoestand te beoordelen, of daarmee samenhangende handelingen (art. 7:446 lid 2 of 3 BW). In de gegeven casus lijkt dit overigens anders te kunnen zijn geweest, nu een van de behandelaren van GGZ inGeest een psychiater betrof en hij ook in die hoedanigheid bij de zorg voor de cliënt in kwestie was betrokken. Het lijkt erop dat daarom kan worden aangenomen dat ‘geneeskundige handelingen’ in de zin van artikel 7:446 lid 2 onder b BW werden verricht. Uit het arrest volgt niet duidelijk welke handelingen precies door de psychiater werden verricht. Om die reden kan ook niet worden gezegd of er nu daadwerkelijk (ook) een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft bestaan. Heel veel maakt het niet uit, want ook als strikt genomen geen sprake is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst kunnen de bepalingen van Boek 7, titel 7, afdeling 5, BW op grond van de zorg van een goed opdrachtnemer (art. 7:400 BW) of de schakelbepaling in artikel 7:464 BW geheel of gedeeltelijk analoog worden toegepast als het om ‘zorg’ gaat.[8] Onder ‘zorg’ zou hier het in artikel 3.1.1 Wet langdurige zorg geformuleerde en bredere begrip kunnen worden verstaan. In de jurisprudentie van de laatste jaren kan een dergelijke lijn ook worden teruggevonden. Veelal wordt door (veelal kortgeding)rechters in het midden gelaten of een zorgovereenkomst ook daadwerkelijk een geneeskundige behandelingsovereenkomst is en dus of artikel 7:460 BW inzake de opzegging door een zorgaanbieder toepassing vindt. De op de geneeskundige behandelingsovereenkomst toepasselijke bepalingen worden ‘gewoon’ toegepast,[9] soms met de motivering dat (ook) sprake is van een duurovereenkomst die alleen met gewichtige redenen kan worden opgezegd.[10] Toepassing ligt bij twijfel ook voor de hand, nu het hier gaat om (toepassing van) algemeen aanvaarde patiëntenrechten.[11] Het onderscheid tussen een ‘gewone’ opdracht en een geneeskundige behandelingsovereenkomst is voor opzegging daarvan – als het om zorg gaat – minder relevant. Daarom zal hierna het begrip ‘zorgovereenkomst’ worden gebezigd, waarmee dan zowel de geneeskundige behandelingsovereenkomst als de overeenkomsten die daar veel op lijken worden bedoeld.

3. Opzegging wegens gewichtige redenen: wat zijn dat?

Een van de hiervoor bedoelde patiëntenrechten betreft het recht op continuïteit van noodzakelijke zorg. Een hulpverlener of zorgaanbieder dient rekening te houden met het zwaarwegende belang van de gezondheid van een patiënt. Daarom mag hij een behandelingsovereenkomst – en bij analoge toepassing of toepassing via de schakelbepaling: een zorgovereenkomst – op grond van artikel 7:460 BW niet zonder meer opzeggen en dient daarvoor een gewichtige reden te bestaan.[12]  De omstandigheden van het geval bepalen of sprake is van een ‘gewichtige reden’ tot opzegging van een zorgovereenkomst, die ook een geneeskundige behandelingsovereenkomst en/of duurovereenkomst is. De opzegging wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid.[13] In de wetsgeschiedenis worden enkele voorbeelden van ‘gewichtige redenen’ gegeven. Te noemen zijn een gebrek aan informatie van de cliënt of patiënt zelf (art. 7:452 BW),[14] het (ver weg) verhuizen van de cliënt of patiënt, het opvatten van persoonlijke gevoelens voor de patiënt door de hulpverlener,[15] de beëindiging van de praktijk en verstoring van de vertrouwensband als gevolg van ernstige meningsverschillen over de behandeling.[16] De norm ‘gewichtige redenen’ blijft voor de praktijk echter een lastige, zeker in combinatie met de inachtneming van de te betrachten zorgvuldigheid. Dit wordt verderop in deze bijdrage nog uitgewerkt. Rechtspraak, maar met name de ook op rechtspraak gebaseerde KNMG-Richtlijn ‘Niet aangaan of beëindigen behandelingsovereenkomst’ (hierna: ‘KNMG-Richtlijn’) uit 2005,[17] biedt meer houvast.[18] In de KNMG-Richtlijn wordt met voorbeelden geïllustreerd wat wel en niet een gewichtige reden voor opzegging door een zorgaanbieder is en welke zorgvuldigheidseisen nu precies in acht dienen te worden genomen, als een zorgovereenkomst wordt opgezegd. Ik ga hier in op hetgeen over de opzegging door een zorginstelling, en niet de individuele arts, in de KNMG-Richtlijn is opgenomen. Om die reden zal hiernavolgend telkens het begrip ‘zorgaanbieder’ worden gebezigd. Het eerst in de KNMG-richtlijn genoemde voorbeeld van een gewichtige reden is het gedrag van de patiënt zelf, dat niet terug te voeren is op zijn aandoening of ziekte. Gedrag van naasten van de cliënt of patiënt wordt als tweede voorbeeld van een gewichtige reden voor opzegging van de zorgovereenkomst genoemd. Ten derde worden als voorbeeld genoemd gewichtige redenen in de vorm van organisatorische of budgettaire aard, of het feit dat vanwege de zorgbehoefte van de patiënt niet langer verantwoorde zorg kan worden gegarandeerd. Bij dit laatste geval heeft de behandelaar (hulpverlener) een individuele motivatieplicht om akkoord te gaan met het besluit van de zorgaanbieder (of zorginstelling).[19] Van belang is dat in de KNMG-Richtlijn wordt benoemd dat naast de gewichtige reden ook moet zijn voldaan aan de door de zorgaanbieder in acht te nemen zorgvuldigheid bij de opzegging. Deze zorgvuldigheidseisen betreffen ten eerste het herhaaldelijk waarschuwen voor de gevolgen van het gedrag van de cliënt (patiënt) en/of diens naasten en daarbij aandringen op verandering van dat gedrag. Ook moet een redelijke opzegtermijn in acht worden genomen. Welke termijn redelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het specifieke geval. De ernst van de (medische) situatie van de cliënt of patiënt spelen hier een rol, alsook de afhankelijkheid van de zorg, de aard van de zorgaanbieder, de aard en duur van de (zorg)relatie en de termijn voor het vinden van een passend alternatief. De zorgaanbieder dient volgens de KNMG-Richtlijn ook mee te werken bij het vinden van dit alternatief.[20] Tot slot dient de (medisch) noodzakelijke hulp voor zover aangewezen en mogelijk te worden voortgezet.[21]

4. Recente jurisprudentie: een weergave van de praktijk en twee extra vereisten van zorgvuldigheid

De KNMG-Richtlijn vormt tot op heden in de (tucht)rechtspraak een belangrijke leidraad bij de toets of sprake is van een rechtmatige opzegging van een zorgaanbieder, ofwel een opzegging met gewichtige redenen waarbij ook is voldaan aan de in acht te nemen zorgvuldigheid. Zo oordeelde het Centraal Tuchtcollege op 22 augustus 2019 nog dat een tandarts de behandelovereenkomst mocht opzeggen omdat zijn patiënt herhaaldelijk niet de rekeningen betaalde. Omdat de behandelingen waren geëindigd, werd de opzegging ook in overeenstemming met de zorgvuldigheidseisen geacht.[22] Het Regionaal Tuchtcollege Den Haag oordeelde op 18 juni 2019 dat een neuroloog een behandelingsovereenkomst mocht opzeggen wegens ‘organisatorische redenen’, omdat de voor de patiënte geïndiceerde behandeling door de betrokken patiënte elders, dichter bij haar huis (‘in haar eigen regio’) kon en diende te worden ondergaan.[23] Op 19 maart 2019 oordeelde datzelfde Regionaal Tuchtcollege dat een behandelingsovereenkomst door een huisarts kon worden opgezegd, omdat de (behandel)relatie als gevolg van discussie over het ‘schonen’ van het dossier van de betrokken patiënte was verstoord en omdat de betrokken patiënte was verhuisd en de huisarts een redelijke opzegtermijn had gehanteerd en had toegezegd tijdelijk te voorzien in de medisch noodzakelijke hulp.[24] In alle genoemde uitspraken werd verwezen naar de KNMG-Richtlijn. De eerste en tweede ‘soort’ door de KNMG-Richtlijn genoemde voorbeelden van een gewichtige redenen – gedrag van de patiënt zelf of diens naasten – zijn mijns inziens voor de praktijk de meest lastige. Dat heeft denk ik met name te maken met het subjectieve en daarmee ook het menselijke karakter ervan. Mijns inziens illustreert de kortgedingjurisprudentie dat goed, met name omdat daarin de feiten wat meer in detail worden omschreven dan in jurisprudentie van de tuchtcolleges. Zo is vlak voorafgaand aan het afronden van de tekst van deze annotatie een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen, waarin (ook) een opzegging van een geneeskundige behandelingsovereenkomst door een huisartsenmaatschap (zorgaanbieder) centraal stond.[25] In deze zaak was sprake van een zeer ernstige verstoring van de behandelrelatie, mede als gevolg van het indienen van diverse klachten door de betrokken patiënte bij onder andere zorgverzekeraar CZ, de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (‘IGJ’) en het tuchtcollege voor de gezondheidszorg.[26] Dat laatste college heeft in deze casus maar liefst twee keer een uitspraak gedaan. In de eerste uitspraak is – verwijzend naar de KNMG-Richtlijn – geoordeeld dat de betrokken huisarts niet had voldaan aan de door hem in acht te nemen zorgvuldigheidseisen bij de opzegging omdat niet was aangedrongen op verandering van het gedrag, niet was gewaarschuwd en dat mede daarom de opzegtermijn van drie weken te kort was.[27] Omdat de betrokken patiënte na inspanningen van de huisarts niet alsnog was overgestapt terwijl zij dat wel kon, kon dit de huisarts volgens de tuchtrechter in de tweede uitspraak niet meer worden aangerekend en had hij niet (weer) in strijd met zijn zorgplicht gehandeld. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: ‘Hof ’s-Hertogenbosch’) overweegt dat het aan de patiënte zelf te wijten is dat zij geen huisarts meer heeft. Daarom kon in eerste aanleg het gevorderde herstel van de opgezegde behandelingsovereenkomst niet worden toegewezen en bekrachtigt het Hof ’s-Hertogenbosch het oordeel van de rechter in eerste aanleg, inhoudend dat de opzegging rechtmatig was. Het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch illustreert mijns inziens, net zoals het in deze bijdrage geannoteerde arrest van het Hof Amsterdam, dat een cliënt of patiënt het heel bont moet maken, voordat een vordering tot herstel van de behandelrelatie – of voortzetting van de behandelingsovereenkomst – in kort geding wordt afgewezen. Als bovendien al sprake is van een gewichtige reden tot opzegging in de zin van de KNMG-Richtlijn, dan heeft een zorgaanbieder een belangrijke rol en grote verantwoordelijkheid bij de continuering van zorg en juist in dat verband ook het vinden van een vervanger. Het lijkt erop dat een zorgaanbieder hier een grotere rol heeft dan de KNMG-Richtlijn doet voorkomen, omdat de KNMG-Richtlijn ‘alleen’ aangeeft dat de zorgaanbieder moet ‘meewerken’.[28] Uit de jurisprudentie – waaronder het geannoteerde arrest van het Hof Amsterdam en het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch – lijkt dus te volgen dat ook actief en welhaast uitputtend naar een alternatief of opvolger dient te worden gezocht.[29] Een en ander wel voor zover dit gezien de omstandigheden van het geval en het gedrag van de betrokken cliënt of patiënt mogelijk is. Een andere grote verantwoordelijkheid van de betrokken zorgaanbieder kan worden gevonden in het al dan niet al aanwezig zijn van de gewichtige reden tot opzegging zelf. De eerder aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland illustreert dat het bestaan van een gewichtige reden mogelijk kan afhangen van de door de betrokken zorgaanbieder in acht te nemen zorgvuldigheid bij de opzegging en de op de zorgaanbieder rustende inspanningsverplichting om de behandel- en vertrouwensrelatie te herstellen waar dat nog mogelijk is. In deze (kortgeding)zaak lag het gedrag van naasten van de betrokkene aan de opzegging ten grondslag. Deze naasten hadden overigens (ook) al elders over de opzegging van de betrokken zorgaanbieder geklaagd, te weten bij de Geschilleninstantie Zorggeschil. Deze instantie had geoordeeld dat bij de opzegging niet de vereiste zorgvuldigheid in acht was genomen en dat de zorgovereenkomst om die reden niet had mogen worden opgezegd. Zo waren er geen ‘verbetertraject’ of voldoende bemiddelingsgesprekken voor (poging tot) herstel van de verstoorde relatie geweest en was ook niet (voor het laatst) gewaarschuwd om het gedrag te veranderen.[30] In de periode na de uitspraak had één gesprek plaatsgevonden. Volgens de voorzieningenrechter was dat in het licht van de uitspraak van de Geschilleninstantie onvoldoende. De voorzieningenrechter oordeelde ook dat mede daarom geen sprake is van een voldoende gewichtige reden voor opzegging van de (zorg)overeenkomst, omdat hij niet voldoende aannemelijk geworden vindt dat de vertrouwensrelatie onherstelbaar is beschadigd. Het bestaan van de conflictsituatie zelf wordt onvoldoende geoordeeld voor het bestaan van een gewichtige reden voor opzegging. De KNMG-Richtlijn vermeldt op dit punt alleen dat een zorgaanbieder moet ‘aansporen tot verandering van gedrag’. Dit kan in de praktijk mogelijk voor verwarring zorgen, omdat deze inspanningsverplichting eerder lijkt te kunnen worden gekenmerkt als zorgvuldigheidseis voorafgaand aan en bij de opzegging en niet bij de beantwoording van de vraag of op zich sprake is van een gewichtige reden tot opzegging zelf. Uit de jurisprudentie volgt duidelijk dat de ‘gewichtige reden tot opzegging’ en de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid onder omstandigheden te vereenzelvigen zijn. In zoverre is hierin een niet uitdrukkelijk in de KNMG-Richtlijn terug te lezen zorgvuldigheidseis te vinden. Een zorgaanbieder dient zich er bij en voorafgaand aan een opzegging wegens gewichtige redenen óók van te vergewissen dat er redelijkerwijze geen andere optie meer is dan het doen van de opzegging. Dit laatste ‘vereiste’ kan ook worden teruggevonden in een eerder door de voorzieningenrechter Rechtbank Noord-Holland gewezen vonnis, waar niet een verbetertraject met de ouders van de betrokkene was doorlopen.[31] Illustratief is ook het door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gewezen arrest van 10 april 2018. In deze zaak werd geoordeeld dat van de betrokken zorgaanbieder in beginsel mocht worden verwacht dat hij, voordat de overeenkomst zou worden opgezegd, alles zou hebben gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om de betrokken patiënt (cliënt) duidelijk te maken dat zijn gedrag ongewenst of onoorbaar was en aan te dringen op gedragsverandering. Volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kon (in dit geval) pas sprake zijn van een gewichtige reden voor opzegging indien een situatie is ontstaan waarin het van een zorgaanbieder in redelijkheid niet kan worden gevergd de overeenkomst te continueren.[32] Hierin is aldus precies een samenloop van de eis van een gewichtige reden en de eerste volgens de KNMG-Richtlijn in acht te nemen zorgvuldigheidseis – aandringen en waarschuwen – terug te lezen. Mogelijkerwijs helpt het de praktijk om de KNMG-Richtlijn op dit punt te verduidelijken.

5. Conclusie

De besproken jurisprudentie over het opzeggen van zorgovereenkomsten laat zien dat meestal in het midden wordt gelaten of sprake is van een ‘geneeskundige behandelingsovereenkomst’ en dus of artikel 7:460 BW strikt genomen van toepassing is. In de rechtspraak wordt er ‘gewoon’ van uitgegaan dat, omdat sprake is van een overeenkomst die is gelieerd aan zorg, al dan niet met de redenering dat sprake is van een duurovereenkomst, deze slechts kan worden opgezegd vanwege een gewichtige reden. De in de KNMG-Richtlijn beschreven zorgvuldigheidseisen worden blijkens de jurisprudentie ook (nog) telkens toegepast. Hierdoor is het juridische onderscheid tussen een ‘gewone’ (duur)opdracht en een geneeskundige behandelingsovereenkomst voor opzegging daarvan – zolang het om ‘zorg’ gaat – niet relevant. Uit de jurisprudentie volgt ook dat een zorgaanbieder een grote inspanningsplicht heeft bij het vinden van alternatieven bij een opzegging wegens gewichtige redenen. Hij dient niet alleen, zoals de KNMG-Richtlijn benoemt, ‘mee te werken’ bij het vinden van een alternatief, volgens de jurisprudentie dient hij daarnaar ook zelf op zoek te gaan. Het is wenselijk dat dit ten behoeve van de praktijk wordt verduidelijkt. Ook volgt uit de recente jurisprudentie dat het vereiste van een ‘gewichtige reden’ en het betrachten van voldoende zorgvuldigheid bij de opzegging van de zorgovereenkomst soms kunnen worden vereenzelvigd, met name waar het gaat om ‘problematisch’ gedrag van de patiënt (cliënt) en/of diens naasten. Pas als de betrokken zorgaanbieder er alles aan heeft gedaan om de relatie met de patiënt (cliënt) en/of diens naasten te herstellen en (mede) daarom voortzetting van de zorgovereenkomst redelijkerwijs niet meer kan worden gevergd kan onder omstandigheden pas sprake zijn van een gewichtige reden tot opzegging. Hierin lijkt aldus (ook) een extra inspanningsverplichting besloten te liggen, die niet ook expliciet in de KNMG-Richtlijn staat. Mogelijk dat ook dit aspect kan worden verduidelijkt. Enerzijds dient een patiënt of cliënt het dus heel bont te maken, voordat een zorgaanbieder de zorgovereenkomst kan opzeggen. Anderzijds geldt dat de zorgaanbieder zijn uiterste best zal moeten doen om ervoor te zorgen dat een (kortgeding)rechter oordeelt dat een opzegging rechtmatig is geschied. Dat blijft, zeker omdat juist de bij de opzegging in acht te nemen zorgvuldigheid mensenwerk is, denk ik een hele opgave.

mr. J. de Vries

Noten

[1] Kamerstukken II 1990/91, 21561, 6, p. 60 (MvA).

[2] Zie in die zin bijvoorbeeld Rb. Noord-Holland 14 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:10975.

[3] Zie bijvoorbeeld Rb. Noord-Nederland 16 november 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:5003.

[4] Hof ’s-Hertogenbosch 27 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3185 en Hof Den Haag 2 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2053 (r.o. 12.2).

[5] Asser/Tjong Tjin Tai, 7-IV, 2018/387.

[6] Zie daarover ook H.J.J. Leenen e.a., Handboek Gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2017, p. 104.

[7] Asser/Tjong Tjin Tai, 7-IV, 2018/391.

[8] Asser/Tjong Tjin Tai, 7-IV, 2018/393, alwaar wordt verwezen naar Kamerstukken II 1991/92, 21561, 11, p. 18 over verpleging en verzorging.

[9] Rb. Noord-Holland 14 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:10975, r.o. 4.5, Hof Arnhem-Leeuwarden 10 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3378, r.o. 6.5 (hier waren overigens wel ook algemene voorwaarden van toepassing), Rb. Noord-Nederland 16 november 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:5003, r.o. 4.6. Niet altijd is duidelijk of het om een analoge toepassing gaat, of om toepassing op grond van de schakelbepaling.

[10] Dat is een overeenkomst waarbij partijen zich hebben verbonden om gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd over en weer één of meer prestaties te verrichten, welke prestaties voortdurend, terugkerend of opeenvolgend zijn: vgl. A. Hammerstein & J.B.M. Vranken, Beëindigen en wijzigen van overeenkomsten. Een horizontale vergelijking (Monografie nieuw BW A10), Deventer: Kluwer 2003, p. 62. Zie voor een voorbeeld Rb. Noord-Nederland 10 mei 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2009, r.o. 4.3. Zie over de opzegmogelijkheid van de duurovereenkomst zonder daarin een opgenomen mogelijkheid tot opzegging HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin)

[11] H.J.J. Leenen e.a., Handboek Gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2017, p. 104.

[12] Kamerstukken II 1990/91, 21561, 6, p. 67 (MvA).

[13] Kamerstukken II 1990/91, 21561, 6, p. 67 (MvA).

[14] Kamerstukken II 1989/90, 21561, 3, p. 33 (MvT).

[15] Kamerstukken II 1989/90, 21561, 3, p. 42 (MvT).

[16] Kamerstukken II 1990/91, 21561, 6, p. 67 (MvA).

[17] Beschikbaar via https://www.knmg.nl/pdf/behandelingsovereenkomst/

[18] Zie voor een divers aantal (met hiervoor gegeven vergelijkbare) voorbeelden H.J.J. Leenen e.a., Handboek Gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2017, p. 146-147.

[19] ‘KNMG Richtlijn Niet aangaan of beëindigen behandelingsovereenkomst’, p. 10.

[20] ‘KNMG Richtlijn Niet aangaan of beëindigen behandelingsovereenkomst’, p. 12.

[21] In de Richtlijn wordt aangehaald: President Rb. Breda 23 april 1999, KG 1999, 144.

[22] Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 22 augustus 2019, ECLI:NL:TGZCTG:2019:225.

[23] Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:TGZRSGR:2019:90.

[24] Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 19 maart 2019, ECLI:NL:TGZRSGR:2019:45.

[25] Hof ’s-Hertogenbosch 22 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3868.

[26] Uit het arrest volgt niet om welk tuchtcollege het gaat. Ook uit het nazoeken van de betreffende jurisprudentie (gelet op de genoemde data) is dit niet duidelijk geworden.

[27] Volgens het arrest gaat het om uitspraken van 23 mei 2018 en 24 september 2019. Deze uitspraken zijn – kennelijk – niet gepubliceerd op tuchtrecht.overheid.nl. Het oordeel blijkt uit r.o. 6.1.1 en 6.6.5 van het arrest voornoemd.

[28] ‘KNMG Richtlijn Niet aangaan of beëindigen behandelingsovereenkomst’, p. 12.

[29] Zie daarvoor ook de tuchtrechtjurisprudentie voornoemd. In Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 22 augustus 2019, ECLI:NL:TGZCTG:2019:225, wordt ‘zo veel mogelijk’ als criterium gebruikt (r.o. 4.5). Zie voor een (ander) voorbeeld van een geval waarin de betrokkene niet meewerkte en waar toch was voldaan aan de zorgvuldigheidseisen Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 25 januari 2019, ECLI:NL:RTGZWO:2019:27.

[30] Rb. Noord-Nederland 10 mei 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2009, r.o. 2.12.

[31] Rb. Noord-Holland 14 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:10975. Uit deze uitspraak volgt dat communicatieproblemen met vertegenwoordigers (ouders) op zichzelf onvoldoende reden zijn voor beëindiging. Dat is mogelijk anders als wel een heel (verbeter)traject is doorlopen.

[32] Hof Arnhem-Leeuwarden 10 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3378, r.o. 6.7 en 6.8.