R_wijne_234px

Rolinka Wijne is docent gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, lid van de medische tuchtcolleges te Den Haag en Amsterdam en medewerker bij het wetenschappelijk bureau van Holla advocaten.

Anne_ten_brummelhuis_kader

Anne ten Brummelhuis is sinds 2009 werkzaam als advocaat. Tot en met 2018 was zij werkzaam bij Nysingh advocaten op de sectie Zorg. Sinds 2019 heeft zij een eigen kantoor.

Jonna_de_clerck_kader

Jonna De Clerck is werkzaam bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, als senior juridisch adviseur Gezondheidsrecht.

Eva_deen_kader

Eva Deen werkt als zelfstandig gezondheidsrechtelijk jurist, onder meer als docent gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is rechter-plaatsvervanger bij de Rechtbank Noord-Holland.

Mieke_de_die_234px

Mieke de Die is advocaat/partner bij Velink & De Die advocaten in Amsterdam en gespecialiseerd in het gezondheidsrecht. 

Nikee_groot_kader

Nikee Groot is advocaat bij AKD in Brussel, waar zij deel uitmaakt van de praktijkgroep Europees en Mededingingsrecht.

Aart_hendriks_234px

Aart Hendriks is bijzonder hoogleraar en gewoon hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Leiden (Faculteit der Rechtsgeleerdheid en LUMC).

Mirjam_hofstee_kader

Mirjam Hofstee werkt als jurist medische aansprakelijkheid bij VvAA. In die hoedanigheid houdt zij zich bezig met het zelfstandig beoordelen en afhandelen van claims binnen de medische aansprakelijkheid en het adviseren van verzekerden over dit onderwerp.

Eva_jacobs_kader

Eva is werkzaam als secretaris bij het KiFiD.

Hugo_de_jager_kader

Hugo de Jager is sinds 2019 advocaat in dienst bij DAS.

Wouter_koelewijn_234px

Wouter Koelewijn is adviseur gezondheidszorg bij Van Benthem & Keulen

Caroline_van_der_kolk_kader

Caroline van der Kolk-Heinsbroek is werkzaam bij VvAA Juridisch Advies en Rechtsbijstand als gezondheidsrechtadvocaat.

Michele_van_lopik_kader

Michèle van Lopik is werkzaam bij Amsterdam UMC (locatie VUmc), waar zij deel uitmaakt van het Legal Research Support-team.

Diederig_van_meersbergen_234px

Diederik van Meersbergen is werkzaam als gezondheidsjurist bij de artsenorganisatie KNMG.

Hans_van_mens-234px

Hans van Mens is partner bij AKD. Hij is sinds december 1987 onafgebroken in de advocatuur werkzaam.

Melita_van_der_mersch_234px

Melita van der Mersch is advocaat bij Velink & De Die en gespecialiseerd in het gezondheidsrecht.

Maurice_mooibroek_kader

Maurice Mooibroek is advocaat bij KBS Advocaten. Hij houdt zich bezig met diverse aspecten uit het formele en materiële gezondheidsrecht.

Esther_pans_234px

Esther Pans kwam bij Kennedy Van der Laan in 2011, na een juridische promotie aan de Vrije Universiteit (2006) en na vijf jaar als advocaat op een in personenschade gespecialiseerd advocatenkantoor in Amsterdam te hebben gewerkt. 

X_r_ras

Xandra Ras is werkzaam als cliëntenraad ondersteuner, waarbij zij de (centrale) cliëntenraad op verschillende manieren ondersteunt, onder andere door advies en coaching.

Bas_van_schelven_kader

Bas van Schelven is advocaat gezondheidszorg bij Van Doorne. 

J_rgen_simons234px

Jørgen Simons is advocaat aansprakelijkheids- en gezondheidsrecht bij Leijnse Artz in Rotterdam.

August_van-234px

August Van studeerde rechten aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Hij is werkzaam als advocaat te Amsterdam.

Caren_velink_234px

Caren Velink is advocaat bij Velink & De Die advocaten te Amsterdam. Zij is gespecialiseerd in het gezondheidsrecht en staat in haar dagelijkse praktijk met name zorgaanbieders bij.

Coen_verberne_234px

Coen Verberne is werkzaam bij Holla Advocaten binnen de sectie Gezondheidsrecht.

Liane_versteeg_kader

Liane Versteeg is als advocaat gespecialiseerd in het gezondheidsrecht.

Kitty_volker_kader

Kitty Volker is advocaat/partner bij Lauxtermann Advocaten in Amsterdam. Zij werkt vanaf 2001 in de aansprakelijkheids- en verzekeringspraktijk. Binnen die praktijk legt Kitty zich toe op het gezondheidsrecht.

Jacqueline_de_vries_kader

Jacqueline de Vries is advocaat bij Holla Advocaten in Eindhoven.

Astrid_van_der_wal_kader

Astrid van der Wal is bedrijfsjurist bij DSW Zorgverzekeraar. Zij houdt zich bezig met zorgverzekeringsrecht in de meest brede zin.

Bastiaan_wallage_kader

Bastiaan Wallage is sinds 2016 advocaat bij Van Benthem en Keulen. 

Joost_wasser_kader

 Joost Wasser is sinds 1999 advocaat bij Holla advocaten.

 

Annotaties GZR 2020-0181

B. Wallage | 30-06-2020

De huisartsenroute: verwijzen naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder?


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Rechtbank Oost-Brabant 26-03-2020


Bas_wallage

De huisartsenroute: verwijzen naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder?

In deze annotatie bespreek ik de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 26 maart 2020. In deze uitspraak stond de vraag centraal of de gemeente Sint-Michielsgestel gehouden was de geleverde jeugdhulp door een jeugdhulpaanbieder te bekostigen. Deze jeugdhulpaanbieder had zorg geleverd naar aanleiding van een verwijzing door de huisarts en was van oordeel dat de gemeente op grond van de Jeugdwet de kosten voor de geleverde zorg diende te vergoeden. Relevant daarbij is dat uit de uitspraak volgt dat de gemeente en de jeugdhulpaanbieder niet met elkaar hebben gecontracteerd in het kader van de Jeugdwet.

Op grond van artikel 2.6 lid 1 sub e van de Jeugdwet is het college van burgemeester en wethouders ervoor verantwoordelijk dat de individuele jeugdhulpvoorzieningen ook toegankelijk zijn voor jeugdigen, na verwijzing door de huisarts, medisch specialisten of jeugdartsen (hierna in het bijzonder: ‘de huisarts’). Er ontstaat, kortom, ook toegang tot individuele jeugdhulpvoorzieningen na een verwijzing van de huisarts. De Wmo 2015 kent een dergelijke verwijsbevoegdheid van de huisarts niet. Uit de parlementaire geschiedenis van de Jeugdwet volgt dat de wetgever het van belang heeft geacht om ook toegang tot individuele jeugdhulpvoorzieningen te laten ontstaan na verwijzing van onder andere de huisarts, zodat in crisissituaties zo snel mogelijk passende jeugdhulp op de juiste plek kan worden ingezet.[1] 

Uit diverse evaluaties van de Jeugdwet volgt dat gemeenten van oordeel zijn dat de Jeugdwet onvoldoende instrumenten biedt om te sturen op het budget en de wijze van indiceren na verwijzing van een huisarts.[2] Gemeenten proberen om die reden contractuele afspraken te maken met huisartsen over de wijze waarop en naar welke jeugdhulpaanbieders zij verwijzen.[3] Het voorgaande roept de vraag op of de huisarts op grond van de Jeugdwet bij de verwijzing naar een jeugdhulpaanbieder ook rekening dient te houden met de contractuele relatie tussen de gemeente en de aanbieder.

Uit de parlementaire geschiedenis van de Jeugdwet volgt dat de huisarts in beginsel dient te verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, zodat de gemeente afspraken kan maken met deze aanbieders en zodoende kan sturen op de wijze van indiceren.[4] De wetgever ging ervan uit dat de huisarts een verwijzing zou afgeven en dat de jeugdhulpaanbieder vervolgens zou gaan over de inhoud van de indicatie (de aard, omvang en frequentie van de jeugdhulp).[5] In beginsel is de verwijsbevoegdheid van de huisarts dus beperkt tot het door de gemeente gecontracteerde aanbod. Deze beperking is naar mijn oordeel ook begrijpelijk, aangezien gemeenten alleen via het contract (financiële) afspraken kunnen maken met de jeugdhulpaanbieder over de wijze van indiceren.

In de onderhavige uitspraak is de Rechtbank Oost-Brabant om deze reden van oordeel dat de zorg niet door de gemeente hoeft te worden bekostigd. Door de huisarts is immers verwezen naar een niet-gecontracteerde aanbieder. De rechtbank overweegt in dit kader: ‘Uit de Memorie van Toelichting blijkt tevens dat, als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, de gemeente niet gehouden is deze andere keuze te vergoeden. (…) De gemeente bepaalt niet wèlke jeugdhulp moet worden geleverd, maar zij heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent.’ De vordering van de jeugdhulpaanbieder wordt derhalve door de rechtbank afgewezen.

Het voorgaande roept de vraag op of in geen enkel geval toegang tot jeugdhulp kan ontstaan na verwijzing door een huisarts naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Naar mijn oordeel kan daarvan in een uitzonderlijke situatie wel sprake van zijn. Uit de parlementaire geschiedenis volgt namelijk dat het gecontracteerde aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen van de gemeente toereikend en passend dient te zijn.[6] Het is aan de huisarts om dit bij een verwijzing te beoordelen. Indien wordt verwezen door een huisarts naar een niet-gecontracteerde aanbieder vanwege het gegeven dat het gecontracteerde aanbod niet passend is, dan dient de gemeente dit oordeel in beginsel te volgen.[7] Indien het gecontracteerde aanbod naar het oordeel van de huisarts niet toereikend of passend is, dient de gemeente deze (niet-gecontracteerde) jeugdhulpverlening, waarnaar door de huisarts wordt verwezen, toch in te kopen.[8]

Bij de vraag of het gecontracteerde aanbod toereikend is, speelt naar mijn oordeel ook de keuzevrijheid van de jeugdige en/of zijn ouders of vertegenwoordigers een rol. Hierbij kan worden gedacht aan een voorkeur van een jeugdige voor een jeugdhulpaanbieder of behandelaar met een bepaalde culturele achtergrond, religie of sekse. Indien de gemeente onvoldoende aanbieders heeft gecontracteerd kan het zorgaanbod om die reden in een individueel geval ontoereikend zijn. Indien het nodig is dat een bepaalde professional de jeugdhulpverlening uitvoert, die bijvoorbeeld niet met de gemeente heeft gecontracteerd, brengt het voorgaande mee dat de gemeente mogelijk toch verplicht is te contracteren. Daarbij is ook van belang of de ouders of vertegenwoordigers van de jeugdige een pgb kunnen beheren.[9] Het is gemeenten op grond van de Jeugdwet niet toegestaan deze bevoegdheid van de huisarts te beperken en uiteindelijk zal de gemeente naar aanleiding van een dergelijke beoordeling van de huisarts, en verzoek daartoe van de jeugdige en/of zijn ouders/vertegenwoordigers tot actie moeten overgaan.

Ook de rechtbank lijkt bovenstaande uitzondering in de onderhavige uitspraak te erkennen. Dit blijkt uit de overweging die ik hierboven reeds heb geciteerd: ‘Uit de Memorie van Toelichting blijkt tevens dat, als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, de gemeente niet gehouden is deze andere keuze te vergoeden.’[10]

Kortom, indien de gemeente in een individueel geval geen passende jeugdhulp heeft ingekocht gaat het hiervoor beschreven uitgangspunt niet op.

In de onderhavige zaak komt de rechtbank tot de conclusie dat de jeugdige de jeugdhulp ook had kunnen afnemen bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder en dat de hiervoor beschreven uitzondering derhalve niet opgaat. De uitspraak van de rechtbank is in dat kader begrijpelijk.

mr. B. Wallage

[1] Kamerstukken II 2012/13, 33684, 3, p. 31.

[2] Kamerstukken II 2018/19, 31839, 689 en Kamerstukken II 2017/18, 34880, A

[3] Kamerstukken II 2012/13, 33684, 3, p. 221

[4] Kamerstukken II 2012/13, 33684, 3, p. 148.

[5] Idem.

[6] Kamerstukken I 2013/14, 33684, F, p. 14.

[7] Idem.

[8] Kamerstukken II 2013/14, 33684, 45, p. 5.

[9] Idem.

[10] Onderstreping door de auteur.